Opgedragen aan Hendrik Uittien
Verzet op klompen
Hij stond stil bij ossentong en ratelaar
maar van de paardenbloem genoot hij
evenveel, kende geen rangorde toe
aan de planten die hij zag.
Een bloem is een bloem.
Zo keek hij ook naar mensen.
Toen de vrijheid broos werd
als een vlindervleugel, plantte hij afrikaantjes
in zijn tuin en bezorgde de Oranjebode.
Ook na spertijd zongen zijn klompen het Wilhelmus.
Tot hij samen met tweeëntwintig kameraden
werd opgepakt. Ze liepen achter elkaar
geen weg terug.
Wat achterbleef: een klaverzuring
met de naam Oxalis Uittienii.
Over velden en wegen
Het asfalt brandt, de rugzak schuurt.
Wat gebeurt hier op dit vroege uur?
Als een ader stroomt dit pad naar Veldens
hart, naar een kerkklok zonder wijzers.
Uren en minuten verloren in de tijd.
Toch weet de luidklok raak te slaan.
Het melkmeisje is van slag. Zij kukelt
van haar kruk, terwijl de koe op springen staat.
Zoals Stan Getz zijn sax aanblaast, zwelt aan
het dorpse leven. De supermarkt haalt de deuren
van het slot. De hulpkoster laat zijn bezem vegen
zandvrij voor de zondag zullen rollators
scootmobielen opwaarts gaan. Op de trappen
van de kerk eet ik boterham met banaan.
De oversteek naar het achterland wacht
op groen licht. De Vilgaard, waar zich alles samen-
balt, de veel geprezen dorpslong. Een startbaan
voor een schijnvliegveld, een straat in puin
diep wortelend het verzet, twee Joodse meisjes
toch verraden. Hier is de oorlog nooit ver weg.
Wederopstanding
Op het oude schuurdak bedekt met asbestplaten woekert hedera tussen bruidssluier en sierdruiftak. Nu de maanman in aantocht
moet de snoeischaar ter hand. Klimop, geknot tot op het bot uitgeleefd de stralende zomerbruid de sierdruif verschrompeld tot één tak.
In wintertijd heelt wat hard is aangepakt. Wonden sluiten zich en langzaam vat het leven vlam. Zelfs de taaie sierdruiftak
ontwaakt uit zijn sluimerstand; de eerste knop barst open. Wat dood gewaand heeft onderhuids weer moed gevat.