Herman Verweij (1945)

Onderstaand Nieuwjaarsgedicht is geschreven op verzoek van
het Letterkundig Centrum Limburg


Rood met witte stippen

Vandaag gaan we op vliegenzwammenjacht.
We schieten niet, we kijken alleen
naar de grond, vooral onder berkenbomen.

We zien andere exemplaren, hoog op de poten,
hun naam ons ontschoten. Ze blikken een tikkeltje
uit de hoogte. Een vliegenzwam zien ze niet staan.

Het is als vogels spotten, je moet volharden,
dus blijven we hopen op zo’n gespikkeld
bolletje, net uit zijn holletje of op een dandy

met brede hoed. Geluiden van boven verbreken
de stilte: kraanvogels op trek raken niet uitgesproken,
zo vol van het warme bad dat hen wacht.

Wij, wij blijven gronden, want wíj
zijn op vliegenzwammenjacht.


Een man voor het raam

1
Een man voor het raam kijkt naar de tuin.
Hij weet wat hij ziet.
Zo achter glas lijkt hij een vis,
een vis met oplichtende, witte vinnen.
Hij leunt op een stok, hengelend naar evenwicht.
Met beperkt zicht wordt zwemmen meer voelen.

Altijd mist, het kijkbericht voorspelbaar.
Alles ligt zoals het ligt:
de briefjes in de port’monnee, de messen op het afdruiprek,
de medicatie in de pillendoos, de wijnfles langs de tafelpoot.

2
Een man voor het raam kijkt naar de tuin.
Rechts de coniferen, nuancerend in kleur en hoogte.
Vlak voor hem de rotstuin met stenen, aangesleept
van verre reizen. De ranke stengels van de gaura buigen
voor de wind, dragen flinters eeuwigheid.

Ziet hij kinderschimmen met vlindernet draven over het gazon?
Als man van het Jenaplan - vraag het de mierenleeuw zelf -
liep hij voorop in de optocht van zieners.
Ouders bellen weer, willen hun kind aanmelden.
Zijn school leunde zwaar op noodlokalen.

3
Een man voor het raam kijkt naar de tuin.
Is dat bij de vijver een wegvliegende reiger?
En daar, helemaal achterin, daar begroef hij de oorlog,
maar net als bamboe woekert hij voert.
Blij als de vierde mei weer voorbij.

4
Een man voor het raam kijkt naar de tuin,
verzamelt woorden voor zijn laatste toespraak,
oefent alvast de volgorde.

Via de traplift verdwijnt hij naar boven. In de werkkamer
vangen witte orchideeën het zonlicht. Hier raakte hij het zicht
gaandeweg kwijt, schreef zijn hand hanenpoten, klikte
de computer op zwart.

Wanneer slaat de deur dicht, of duwt een onzichtbare hand
deze traag in het slot, hoeft het kussen niet meer opgeschud?
Beneden hoort hij gestommel, het roepen van zijn naam.


Bevrijding van Venlo herdacht

1 maart of daaromtrent

Wie kan vertellen hoe het was, de kogelregen,
bominslag, het schuilen op een kluitje
in muffe kelders tussen overslaande harten.

Wie voelt nog de angst van toen het huis doorzocht
-je ging weer terug naar nagelbijt en schietgebed-
terwijl op zolder het onraadfluitje iedereen bevroor.

Wie kent de naam van hem of haar, die niet thuis
gaf op de 1e maart, te laat onder het puin gevonden,
of waar na afscheid nimmer weerzien wachtte.

Wie draagt op haar tong de smaak van vrijheidssoep
gulzig gelepeld op een stadhuistrede, terwijl
haar kleinste zich bijna verslikte in soldatenbrood.

Wie danken we de vrijheid, zeker aan Bertha, onderweg
met eten en vóór V&D van de straat geraapt of aan Frans,
van bed gelicht en afgevoerd met tussenstop Maastricht.

Wie uitgesproken is, mag niet worden doodgezwegen.
Aan ons om hen een stem te geven voor onverhoopt
de vrijheid zich bedenkt, wegdraait, de duisternis inloopt.


Ode aan schouwburg de Maaspoort

Poort der verbeelding

Hier op het plein
tokkelt de lier van Orpheus
een liedje van verlangen

ritselt het blad van de moeraseik
een monoloog over
een verdronken geliefde.

Hier opent de Poort zich
zoekt een stoel een dame of
een heer, flitst het duister aan

danst een nieuwe wereld binnen
schampt een woord, rochelt
een mond, verstilt de tijd.

Hier in de schouwburgzaal
warmen handen zich
klappen het doek dicht.


Pianokruk

Hij draait de kruk wat hoger
ademt diep, leeg de lezenaar.

Er bromt een vlieg op hoorafstand.
Buiten lawaait een auto langs.

Hij legt zijn handen klaar en kucht
wat spanning weg. Verschuift
zijn linkervoet; stil
wordt het in de zaal.

Vingers op de tast, het strelen
van ivoor alsof je een lief betast.

Dat onder een stoel een glas
omvalt of zijn kruk kraakt
als hij de verste tonen raakt,
het dringt niet tot hem door.

Als vingers losjes wandelen
over het mechaniek
-wat hij speelt heeft lang gereisd-
schrijft de partituur zich uit.


Juttersbloed

Aangespoeld een vis
van hout, in doodsnood
slaat ze met haar staart.

Als laatste groet kust
de rivier haar droge mond.

Als drijfhout dienst gedaan,
een drenkeling houvast geboden.
Wie zal haar redder zijn?

Een wandelaar met juttersbloed
staat dagen later oog in oog.

In een tuin verscholen tussen
wier en zeegroen woont een vis,
soms zwemt ze op haar rug.


Uit bundel De zegeningen van een houtworm

Laat bezoek

Van berkenstammen is het kruis;
de viooltjes die je kweekte
bewegen op de lentewind. Je gaat
niet meer zo ver van huis.

Ik luister naar het kind
dat wegsmolt in je grote duim
als de toverlantaarn
de kamer vulde.

Ik lees uit je boeken
waarin je door de wereld dwaalde.

Ik zing bij de steen
waaraan ik me zo dikwijls stootte.

De zon legt mijn schaduw
als een zachte deken over je heen.


Tot twee cijfers achter de komma

Ik schrijf alvast wat woorden op om warm
te lopen. Alle ramen zet ik open, een zachte
wind dolt dunne klanken, blaast bel tot
woordballon. Zie je, het begint als kinderspel.

Vanuit de verte een sirene;
nu wordt het menens. Woorden kennen
ook gevoel. Als je ze pijn doet gaan ze
vloeien. Ik wil ze draagbaar maken.

En jij? Jij staat er bij te kijken,
maar weet je, ik heb het over jou.
Ik wil jou op je mooist dichten;

naakt in letters, komma’s, punten.
Weinig punten, dat klinkt zo voorgoed,
nee, ik dicht je vooral veel komma’s toe,


Uit de bundel Een vindbare plek

Eigen weg

Een weg, in breedte nog geen meter,
verscholen tussen grasland, glooiend maïs,
steelt schaduw van wat oude populieren.

De uiterste precisie waarmee een weg
zich in het landschap schrijft, of is het meer
een achteloos gaan liggen.

Bijna zijn draai gevonden, zoals je voor de slaap
nog snel een been verlegt, met dekbed
kieren dicht, een grenslijn trekt.

Voor wie geen richting weet, de voortgang stokt:
dit pad is thuis, laat niemand los.


Venlo

Ik heb de Maas gegroet en nog eens goed
gekeken naar wat ik achterlaat: een stad
die mij past als de jas van mijn vader.

Honderd dagen duik ik onder, achter de gele
wagen aan. Zonder mijn boekenkamer, zonder
het ontwaken naast mijn lief. Zacht speelt

het carillon een uitzwaailied. Met veertien kilo
zekerheid verkies ik nieuwe wegen, verruil ik
mijn bezit voor ransel en een kaart van het gebied.

Ik houd de aarde aan de rol zoals kindervoeten
een speeltuinton bewegen. Pas ingezaaide maïs,
te netjes in een rij; laat mij een bermbloeier zijn.

En als het duistert is er zuster maan. Zo kom ik aan
waar wordt gewacht, maar niet gehaast -de weg
moet zich nog voegen- slechts de richting is bepaald.


Uit bundel Waar gisteren en vandaag

AFVALLEN met hoofdletters

Ik kwam je niets vermoedend tegen.
Op een verdwaald kladje gaf je je bloot.
Zoveel openhartigheid verwacht je niet
in een boekje van de bieb over gezond eten.

Halverwege was ik toen je plotseling verscheen.
Je lepelde wat punten op die je niet vergeten
mocht, soms plaatste je een uitroepteken.

Waarin ik was verdiept, het deed er opeens
minder toe.
Ik las jou, opgedeeld in 3 rubrieken:
school, KPJ en tot slot wat losse bezigheden.

Je leidt, denk ik, een evenwichtig leven.
Een type dat met mes en vork een broodje scoort.

Maar hoeveel zorg om je gewicht ligt er verstopt
in het door jou met hoofdletters geschreven woord?


Secondespel

Als de meldkamer bericht
over ernst en plaats
geen woord te veel
klikken ze hun gordel vast.

Een sirene vult de straat
verwaait, zwelt aan
als een kraaienzwerm
naar slaapplaats onderweg
een voet beweegt
van gaspedaal naar rem.

Een jagend hospitaal
vertraagt bij anderen
de haast; drempels en
rotondes, een auto
in paniek: obstakels.

Alles aan boord
voor vroege hulp
wervelplank, zuurstof
een kofferapotheek met
huisgemaakte adrenaline.

Als de ambulance is uitgeraasd
een brancard de Spoedhulp
binnengaat, wacht er koffie
wordt de film teruggedraaid


Langs de Maas

We grazen beschaafd, bijna met mes en vork
hebben genoeg aan een kavel, in onze kop maalt
enkel de zorg om gras. Als wij het oeverland
strippen gaan, is dat op tenen zo zacht, legt de stilte

zich neer naast ons bord. Eendrachtig we scheren
in zomerse kleren als met een tondeuse de rivierdijk
glad. Een paar bakken water, liksteen en de prik-
distelbloem, veruit favoriet: ons hoor je niet klagen.

Wat wandelt en draaft daar, verstoort onze rust?
Dat pruttelt en kakelt, dat mekkert en bazelt.
In hun koppen zetelt de gelijkenis. Daar huist

eenzelfde geest, even volgzaam en schaapachtig.
Voor ons is het een feest, een feest van herkenning.
Maar welke herder houdt deze kudde bijeen?