Herman Verweij (1945)

26 november 2019

Ze kan een tuin naar haar hand modelleren
spelen met kleur, variëren in vorm

een struik verpoten, een jonge vijg
het voordeel van de twijfel geven
een verdorde plant vervangen
een roos omleggen
een door storm gebroken tak
kieperen in de afvalbak
en als het haar te gortig wordt
gaat het hele tuinplan op de schop.
Ze speelt met dood en leven.

Maar als een plant of boom in vroege
zomer blad verliest of bloemen
zomaar breken in de knop
als blauwe regen niet meer drupt
bloemloos in de herfst de helleborus sterft
als vrouwenmantel geen beschutting biedt
het siergras neerslaat, nooit meer zwaait
naar een huppelend kind op straat

dan verbleekt het groen van vingers
buigen zelfs plantendokter en boomchirurg
deemoedig het hoofd, is de tuin
haar tuin niet meer.


Ter herinnering aan Sef Moonen

't Atelier

Het staat er nog, het huis van de schilder.
Hier sjouwde hij stenen, velde een eik voor hout
op de vloer, ving het licht uit het noorden, wreef
door zijn haar, hing zijn hoed aan de kapstok.

Het staat er nog, het huis van de schilder.
Hier dansten penselen van palet naar het doek,
tot een rivier verscheen, in een kromming
verdween. De loop van het water onbestemd.

Het staat er nog, het huis van de schilder.
Hier woonde een schilderij, dat zonder woorden
sprak, zoals het wit zich schrijft in een gedicht. Er
rolde een potlood in een spleet van het plankier.

Het staat er nog, het huis van de schilder.
Een rommelhok waar was te drogen hing,
door opgestapeld meubilair het schilderlicht
geweerd . Een doos pastelkrijt miste zijn meester.

Het staat er nog, het huis van de schilder.
Het heeft nu een bel, het draagt een naam.
Waar het van geestdrift blaakt, de vloer
weer kraakt, wordt Apollo in zijn ziel geraakt.


Een vermoeden van licht

Een zonnestraal glipt door de pergola,
de koffie koud, de krant nog ongelezen.
Op de wind wiegt Lange Jan. Zacht
landt het berkenblad op vlinderstruiken.

De poes hupt van de tafelrand en jaagt
op muis, in de vijver sluit kikker de luiken.
De laatste dahlia met blos laat traag
het leven los, een kinderstem verwaait.

Veel vogels zijn al onderweg. Roodborst
is gebleven en ook de mezen vrezen niet.

Is de kou verdreven, maakt een kievitspaar
een salto in de lentelucht. De tuin veert op.

Soms, bij schemerlicht, spelen woorden
in het gras, vormen de regels van een liedje.
Uit het niets verschijnt een schittering
bij de hortensia en het vergeet-mij-nietje.


De Nordmannen komen weer

Ik laat hem binnen. Zijn groene jas trekt hij
niet uit zolang hij hier blijft plakken, opgedirkt

met lichtjes en met ballen, balancerend
in een enkelband. Niet meer de oude, als ik hem

twee weken later aftuig en naar buiten draag.
Ik constateer dat zijn gewicht - geen naald verloren -

schrikbarend afgenomen is. Hem wacht de gang
naar kerstboomfik. Voor de nazaat van de zwavelstok

een makkelijke prooi, want tijdens zijn verblijf
in deze kamer heb ik hem hardvochtig uitgedroogd.


Voor kinderen basisschool Harlekijn, Blerick

Harleklein je maar groot

School is als een steile trap
voorzichtig neem je weer een stap,
of als een superzacht konijn
je wilt graag bij hem zijn.

School is als een boterham
je groeit er van,
of als een Turkse kapper
je wordt er knapper.

School is als een zak met drop
je kunt er nooit te veel van op,
of als een slak met haast
elke dag opnieuw verbaasd.

School is als een slagroomtaart
voor elke groep wordt iets bewaard,
of als een vriendelijke harlekijn
´t maakt je vrolijk, kietelt je brein.

School is als een mooi verhaal
we lezen het graag allemaal,
of als een groot gezin, dus:
welkom Romayssae, welkom Finn.


Een Schoonhoven

(Reliëf R 62-13)

De vorm doordacht, strak in het pak
achtenveertig vakjes in getal.

Met aandacht aangebracht
(zoals je een fietsband plakt)

de repen karton als opstaande
randen bedekt met laagjes

oude kranten, gesopt in behangersplak.
Als de kwast grondig wit, kruipt schaduw

over het aangeharkte landschap, warmt
een nieuwe Schoonhoven zich aan het licht.


Zoals zij daar woont

Zoals zij daar woont, roerloos, aaibaar
als een zilveren lint zich neerlegt

zoals zij traag en voorspelbaar
grenzen aftast, bochten inschat

zoals zij zich aanlengt, verwatert
de veerman een loer draait

zoals zij boven zichzelf uitstijgt
als een gulzige slokop vol loopt

zoals zij roept op klaarlichte dag
bollend vlees zielloos teruggeeft

zoals zij zich inslijpt, haar draai vindt
bij schemer verstilt

zoals zij daar woont, een haven
voor verdwaalden, zich geeft aan de zee.


No picture, Sir

Neergestreken bij de vijver langs het oude kerkhof
in Zuid. Geen lust in vogeltrek met elke dag
een grasmaaltijd.

Van niemand iets te vrezen, dons en lever
niet te koop. Ze zijn zoals ze zijn, gewoon
om naar te kijken.

Scharrelen rond onder een plataan of staan
roerloos op één poot, verscholen snavel
tussen veren.

Afgeschud de haast. Helder wit, door licht
geraakt hun kleed. Een schilder krijgt het niet
op zijn palet.

Ik tel er drie, ze klitten bij elkaar. Synchroon
waggelend door de dagen, de traagheid geeft hun
iets voornaams.

Aarzelend het drietal aangesproken.‘No picture
Sir!’. Een ganzenveer valt mij ten deel; hiermee
is dit portret geschreven.


Klein hoefblad

Op het fietspad langs de Maas
zo aan de rand, waar het zand
is omgewoeld, grijpt het zijn kans.

Roept in het rond, dat de kou
uit de grond, dat woelmuis
en mol mogen ontdooien,
want de aarde warmt op.

Uit een scheur in het asfalt,
het steeltje nog teer
en zo naakt zonder blad,
zodat alle aandacht knalt
op zijn felgele kop,
afdruk van de zon.


(In 2015 was Armando te gast in museum van Bommel van Dam)

Oude bokser

De oude bokser deelt een plaagstoot uit.
Achter hem het schilderij met de bebloede arm,
terwijl zijn woorden als hagelstenen roffelen
op de vloer van de museumzaal. Waar is het

toch begonnen? Bij de straat, bij het struikgewas
en wat zich daar zoal in en achter afspeelde?
Een kind nog dat keek met de scherpte
van een haviksoog, het hoofd een plakboek

vol foto's en gebeurtenissen. Terug in de ring
spant het er om. Is er storm op komst? En wat
moet er met die bomen? Zij waren getuige,
maar bleven hun plek in het landschap innemen.

En de vijand? Om zichzelf op te blazen,
begon hij te schreeuwen. Eenmaal thuis
bleek hij met twee woorden te spreken.

Wat zich vastzet, klontert, blijft rommelen
als een naderen onweer. De vrede getekend,
de inkt opgedroogd, gevloerd door de oorlog.


(Gezien in Museum Valkhof La casquette qui songe)

De mijmerende pet

Acht seconden aandacht schuifelt
langs een pet, uitgelobberd aan
een kapstokhaakje. Sleetse kleur
op beide wangen, ooit getroond
op opperhoofd. Wie hem droeg
werd gezien, zeker in Parijs waar
een meesterhand hem modelleerde.

Langer dan die acht seconden sta ik
stil. Wat zich niet zomaar prijsgeeft
vraagt meer tijd om te doorgronden.

Dichterbij ontfutsel ik het raadsel.
Deze pet beweegt heel licht als bij
bijna windstil weer een wateroppervlak.

Deze pet deint mee met de gedachten
in het hoofd van wie hem vroeger

droeg, mijmert onafgebroken
in zaal 3 van het museum.

Tot de suppoost na sluitingstijd
de stroom uitzet.


Vangst

Aangespoeld een vis
van hout, in doodsnood
slaat ze met haar staart.

Als laatste groet kust
de rivier haar droge mond.

Als drijfhout dienst gedaan,
een drenkeling houvast geboden.
Wie zal haar redder zijn?

Een wandelaar met juttersbloed
staat dagen later oog in oog.

In een tuin verscholen tussen
wier en zeegroen woont een vis,
soms zwemt ze op haar rug.