Herman Verweij (1945)

Grand Jacques

Zo vlak het land bezongen, dat
alleen een torenspits het waagt
zich als berg te verheffen

zo raak een afscheid getroffen, zoals
van die twee daar tussen tweeduizend
hoe ze elkaar voorgoed verliezen

zo scherp je tong gewet, je lange
armen maaiend over het Vlaamse
land als een pas geslepen zeis

zo zacht van een vriend zijn naam
gefluisterd als een laatste groet, zachter
dan een bloem die zich bij schemer sluit

zo zonder uur gewaakt op een eiland
waar in elk seizoen bomen hun blad
verliezen voor vuren bij vollemaanslicht

zo trefzeker het woord gemunt voor
venijn en tederheid, om immer te blijven
als de schilderijen van oude meesters.


Vroege vogels

De tulpen groeien uit de vaas,
de vloeibare pindakaas zorgt
voor natte voeten. Ik smeer
een krekker met dat goedje.

Zie door de ruit een koolmees
mes en vorkje prikken
in een potje pindavogelkaas.

Gezellig, zo samen ontbijten.


(Gezien in Museum Valkhof La casquette qui songe)

De mijmerende pet

Acht seconden aandacht schuifelt
langs een pet, uitgelobberd aan
een kapstokhaakje. Sleetse kleur
op beide wangen, ooit getroond
op opperhoofd. Wie hem droeg
werd gezien, zeker in Parijs waar
een meesterhand hem modelleerde.

Langer dan die acht seconden sta ik
stil. Wat zich niet zomaar prijsgeeft
vraagt meer tijd om te doorgronden.

Dichterbij ontfutsel ik het raadsel
ontwaar een licht bewegen, zoals
bij bijna windstil weer een water-
oppervlak. Dit is een pet die mee
bewoog met de gedachten in het
hoofd van wie hem in vroeger
dagen droeg.

In zaal 3 van het museum murmelt
hij onafgebroken.


Passanten

Daar loopt de man die elke dag
parkeermeters fouilleert op zoek
naar een vergeten muntstuk.

Aan de overkant de verslaafde, krom
als een verroeste spijker hobbelt hij
achter zijn rollator naar de buurtsuper.

Haar heb ik lang niet meer gezien,
de krimp heeft toegeslagen. Nu zonder
hondje, waar ze altijd hardop tegen praatte.

Drie mensen, onmiskenbaar onderweg,
terwijl de luiklok de laatste kerkgangers
lokt op een doodgewone zondagmorgen.


Tussen twee bruggen

Natuurlijk, de aalscholver bevolkt een kribbenpaal,
zijn vleugels in gesprek met de wind.

Eksters tuigen hun favoriete kerstboom op,
pikken reepjes engelenhaar uit wolkenwit.

Luid gakkend vliegen ganzen over
als een uitgelaten schoolklas.

Op de oever aan de overzijde toveren zwartharige
runderen een wandelpad tot hindernisbaan.

Als altijd wulps en waaks en vandaag badend
in een glinsterend gewaad, de rivier.

Hier kuiert en huppelt de stad in een tijdloos decor,
geeft zich prijs van de eeuwigheid een glimp.


Een vindbare plek

Als je de stad verlaat of na een lange
treinreis net op tijd een afspraak haalt,
of als je elders hebt verbleven en de weg
naar huis aanvaardt, je kunt er niet omheen.

Ook de chauffeur niet van lijn zevenzeven
die zijn bus bekwaam de weg opdraait,
of het jonge stel, onderweg naar afscheidszoen
en uitzwaaihanden op een winderig perron.

Hier voor het station veel verse bloemen,
een foto en een lichtje, steun zoekend bij elkaar.
Erboven, als een waker, de torenklok. Traag

maken de wijzers hun ronde zonder te verzaken.
Als het kaarsvet is gestold, het tastbare verdwenen,
zal deze plek nog vindbaar zijn. Je kunt er niet omheen.


(Schouwburg Maaspoort, Venlo)

Poort der verbeelding

Hier op het plein
tokkelt de lier van Orpheus
een liedje van verlangen

ritselt het blad van de moeraseik
een monoloog over
een verdronken geliefde.

Hier opent de Poort zich
zoekt een stoel een dame of
een heer, flitst het duister aan

danst een nieuwe wereld binnen
schampt een woord, rochelt
een mond, verstilt de tijd.

Hier in de schouwburgzaal
warmen handen zich
klappen het doek dicht.


Dag Mo

in het stille huis verhuist het speelgoed
weer naar zolder loopt de briotrein
de remise binnen prentenboeken
schuiven tussen soortgenoten
het stoeiwater over
de badrand bijna
verdampt

toch
ben je niet
geheel verdwenen
flarden van een kinderlied
dansen rond de schemerlamp
er ligt een plasje olie waar een auto
heeft getankt uit het raam van de kamer
waar je sliep floept het staartje van een droom


Beurtbalkje

Geparkeerd langs boodschapband,
als een taxi wachtend op een klant.
Tot een karretje of mand zich meldt.

Voor consument en caissière
schept hij een tijdelijke barrière
en scheidt wasverzachter,
reclamepils en maandverband
van kilovoordeel koteletten,
een netje uien, spruiten en
apart verpakte plakjes cervelaat.

Als het werk is gedaan,
begint het weer van vooraf aan:
wachtend op een nieuwe klant
in de gleuf langs boodschapband.


´Wie zich zijn eigen weg baant door de wereld
hoort in het leven eens zijn eigen lied.´
A. Roland Holst

Schuilplaats in Zuid

Waar Frans Maas kantoor hield
de weg bereidde voor een vracht
de tijd bedacht hoe lang de reis
zijn nu veel kamers met een bed.

In een spiegel wordt een rug gerecht
het hoofd aarzelend geheven. Hie
is een man aan zet. Hij wil vooruit
al blijft hinderlijk als zwerfvuil

het verleden kleven. Ooit hopeloos
verdwaald vindt hij zichzelf terug
in dit gastvrije huis. Op tafel ligt
een kaart van een nog niet verkend

gebied. Hij kiest een weg, de rugzak
laat hij thuis. Tussen zijn lippen
glippen de eerste tonen van een lied.
Waar hij aankomt weet hij niet.