Herman Verweij (1945)

Omhels, knuffel en pluk

Kijk vooral je ogen uit
in deze stadstuin van Oud-Zuid.
Adem in met volle teugen
de zuivere lucht rond
blad, bloem, vrucht.

Hier wortelt het jonge grut in gezegende grond.
Hier schoffelt samen met de buurt
tussen rode biet en boerenkool
de Wildveldschool.

En dan de oogst.
Omhels de volle peer, de snijboon, het kropje sla.
Knuffel kruisbes, spruit en prei.
Pluk de klaproos en de wilde cichorei.

Natuur verbindt. Misschien is dit de rijpste buit
in deze stadstuin van Oud-Zuid.


Een vader, een zoon

Over de dijk langs de rivier gleed zijn driewieltrapper
naar het nieuws van de dag. Trouw speller van kranten
aan de leestafel van de bieb. Daarna op koffiejacht,
een fijne neus voor de beste barista van de stad.

Hij droeg een luisteroor, getraind door de verhalen
van verslaafden en als hij sprak klonken zijn woorden
als gefilterd licht, zoals dat valt in een museumzaal.

Opeens was er de kogel en even plotseling als in
dit gedicht. Een lege stoel, een anonieme naam
op een oorlogsmonument, op glas geschreven.

De kruitdamp is nooit opgetrokken. Hij zette ramen
open, vocht voor vrede. Een leegte minder leeg
door Bach. Een zoon wordt ouder, een vader niet.



Fantastico

Waar historie aan kleeft, wat ons mee-
voert naar vroeger, kan niet in de kliko.

Wat je afbreekt verdwijnt te voorgoed.
Wat rest: brokken chocola tussen het puin.

Lef, de naam van het scheepje dat aan-
meert bij toen: broze gevel met artrose.

Twee broertjes varen op fantasie en vol-
harding. Met durf in hun ransel scheppen

ze uit bouwval ijs. Erfgoed gaat glanzen als
het werkzweet verdampt. De aarde draagt

oud als nieuw, brengt de geur van chocola
terug, houdt de schoorsteen overeind.


Hier ben je thuis

Kom, werp af de aarzeling, betreed de tuin,
er is op je gewacht. Geen plattegrond, geen
richtingbord. Loop eenvoudig geuren na, kijk
naar omlaag: bloemen, struiken, alles draagt

een naam. Zacht neuriet de gaura een wiegelied.
Wacht bij de vijver op het wonder: strijklicht
streelt de waterlelie wakker. Beklim de gladde
stammen in het bamboebos of druk je voorhoofd

tegen de zachte vacht van de reuzeboom. Wie
heeft zijn kegelvrucht hierheen gebracht? Hij
- op een dag vertrokken - plantte in het hart
een tempelboom die waakt over hortensia’s en

rozen, eens ook ons zal overleven. Gele tranen
huilt hij in de herfstnacht. Wie slaat vandaag
een arm om hem heen, geeft de perken glans?
Een vrijwilligersschare knipt nu alles in balans.


Onderstaand Nieuwjaarsgedicht voor 2021 is geschreven op verzoek van
het Letterkundig Centrum Limburg


Hangplek

Als je mij zo ziet, denk je niet
meteen aan een bruisend leven.

Het is nog vroeg, ik sta wat wankel
op mijn benen. Rust op zijn tijd,

daar knap ook ik van op. De hectiek
begint zo tegen tienen. Alleen bij regen

valt de klandizie tegen. Ruimhartig
draag ik wat bij anderen knarst en knaagt.

Kijk, daar is die meneer met dikke bril.
Als hij eenmaal zit, welt de blues op

uit zijn strot, zingt hij de tegels
uit hun voegen. En het looprekvrouwtje?

Ze hoeft me niet veel uit te leggen.
Dan heb je Jan die maar blijft zoeken

naar wat hij is verloren. En trek ik
mijn nachtkleed aan, verschijnt de laatste

gast. Van dolen wordt haar hoofd zo zwaar.
Zij weet, ik wacht. ‘Slaap jij maar zacht’.


Kijk dan, kijk dan

Ik heb een bloem gedroomd
omgeven door
het duister van de nacht

Ik heb een bloem gedroomd
een botergele bloem
aangeraakt door een dunne maan

Ik heb een bloem gedroomd
waar uit de kelk
parels sprongen

Ik heb een bloem gedroomd
de parels bleven komen
als vallende sterren
alles betoverend
in een lichte gloed

Ik heb een bloem gedroomd
met voor mij een boodschap:

kijk dan, kijk dan
oefen je oog
in het zien

in het zien
van schoonheid

Nawoord
Dagen later stond ik in het Noordbrabants Museum voor een driedimensionaal kunstwerk van Eelco Brand en zag exact wat eerder in een droom voorbij kwam.


Weerzien met Reillanne

Ik schuif het gordijn open. Daar ligt ze.
Ze slaapt nog. Voor haar ben ik gekomen.
Uitdagend om de heuvel gedrapeerd wijst
ze naar de eeuwenoude kerk op de top.

Om het huis hangt de geur van rozen.
De kersenboom draagt zwaar dit jaar.
Onder de waslijn, kaarsrecht en paars
aangelopen, orchideeën, zo talrijk en
zo goed gemutst. Schapenbellen over-
stemmen de roep van de bijeneter.

In de middenkamer speelt Chopin zonder
publiek, plukt het goud van de morgenstond.
Er is thee met poëzie als een petit-four.

Ik maak me op voor een wandeling
over de crête. De Luberon, op gepaste
afstand, ligt erbij alsof ze te zwaar heeft getafeld.

Bij Céreste sla ik rechtsaf. Daar is ze,
ze loopt me tegemoet, helpt me de heuvel op.
We strijken neer op een terras.
Een wolk schuift voor de zon.

Waar je vandaan komt vergeet je
als je je ergens thuis voelt.


Ubuntu

De trommelman
zonder stokken, blote hand
zijn vingers staan in brand

Kinderoren
horen hoe hij in de maat
losjes op zijn trommel slaat

Drumles van de meester
kies een kleur, kies een teken
laat je trommel spreken

Als één hechte groep
roffels hard, dan weer zacht
Fafa drumt, Yayra lacht

Samen, met elkaar
spelen we het slotakkoord
ubuntu is het toverwoord


Uit bundel De zegeningen van een houtworm

Laat bezoek

Van berkenstammen is het kruis;
de viooltjes die je kweekte
bewegen op de lentewind. Je gaat
niet meer zo ver van huis.

Ik luister naar het kind
dat wegsmolt in je grote duim
als de toverlantaarn
de kamer vulde.

Ik lees uit je boeken
waarin je door de wereld dwaalde.

Ik zing bij de steen
waaraan ik me zo dikwijls stootte.

De zon legt mijn schaduw
als een zachte deken over je heen.


Tot twee cijfers achter de komma

Ik schrijf alvast wat woorden op om warm
te lopen. Alle ramen zet ik open, een zachte
wind dolt dunne klanken, blaast bel tot
woordballon. Zie je, het begint als kinderspel.

Vanuit de verte een sirene;
nu wordt het menens. Woorden kennen
ook gevoel. Als je ze pijn doet gaan ze
vloeien. Ik wil ze draagbaar maken.

En jij? Jij staat er bij te kijken,
maar weet je, ik heb het over jou.
Ik wil jou op je mooist dichten;

naakt in letters, komma’s, punten.
Weinig punten, dat klinkt zo voorgoed,
nee, ik dicht je vooral veel komma’s toe,


Uit de bundel Een vindbare plek

Eigen weg

Een weg, in breedte nog geen meter,
verscholen tussen grasland, glooiend maïs,
steelt schaduw van wat oude populieren.

De uiterste precisie waarmee een weg
zich in het landschap schrijft, of is het meer
een achteloos gaan liggen.

Bijna zijn draai gevonden, zoals je voor de slaap
nog snel een been verlegt, met dekbed
kieren dicht, een grenslijn trekt.

Voor wie geen richting weet, de voortgang stokt:
dit pad is thuis, laat niemand los.


Venlo

Ik heb de Maas gegroet en nog eens goed
gekeken naar wat ik achterlaat: een stad
die mij past als de jas van mijn vader.

Honderd dagen duik ik onder, achter de gele
wagen aan. Zonder mijn boekenkamer, zonder
het ontwaken naast mijn lief. Zacht speelt

het carillon een uitzwaailied. Met veertien kilo
zekerheid verkies ik nieuwe wegen, verruil ik
mijn bezit voor ransel en een kaart van het gebied.

Ik houd de aarde aan de rol zoals kindervoeten
een speeltuinton bewegen. Pas ingezaaide maïs,
te netjes in een rij; laat mij een bermbloeier zijn.

En als het duistert is er zuster maan. Zo kom ik aan
waar wordt gewacht, maar niet gehaast -de weg
moet zich nog voegen- slechts de richting is bepaald.


Uit bundel Waar gisteren en vandaag

AFVALLEN met hoofdletters

Ik kwam je niets vermoedend tegen.
Op een verdwaald kladje gaf je je bloot.
Zoveel openhartigheid verwacht je niet
in een boekje van de bieb over gezond eten.

Halverwege was ik toen je plotseling verscheen.
Je lepelde wat punten op die je niet vergeten
mocht, soms plaatste je een uitroepteken.

Waarin ik was verdiept, het deed er opeens
minder toe.
Ik las jou, opgedeeld in 3 rubrieken:
school, KPJ en tot slot wat losse bezigheden.

Je leidt, denk ik, een evenwichtig leven.
Een type dat met mes en vork een broodje scoort.

Maar hoeveel zorg om je gewicht ligt er verstopt
in het door jou met hoofdletters geschreven woord?