Herman Verweij (1945)

als je maar blijft zoeken

eerst naar de Maas
ze ligt er onbewogen
spiegelt de stad
daarna ganzen geteld bij het beeld van de Krijger
over de stranden van het Zomerfeest geslenterd
verdwaald in de tuinen van de Jochumhof
een veer van een slechtvalk in mijn haar gestoken

komt dichterbij wat ik zoek?

de rijzige rode beuk
zuchtend onder de hitte
biedt niet alleen mij verkoeling
in het Rosarium carillonklanken als herfstblad
naar beneden zien dwarrelen
bij de Loco bijna van de sokken gereden
vanuit mijn ooghoek Snoek’s poëzie van de muur
zien spatten

en dan gebeurt het
ter hoogte van de Gasthuisstraat

daar, onder eeltlagen
tussen scherven en botresten
naast een puntgave vuistbijl huist
wat zich nooit opgraaft:
de ziel van de stad


Voor Hendrik Uittien

Verzet op klompen

Hij stond stil bij ossetong en ratelaar,
maar van de paardenbloem genoot hij evenveel.
Kende geen rangorde toe aan de planten die hij zag.
Een bloem is een bloem.
Zo keek hij ook naar mensen.

Toen de vrijheid broos werd als een vlindervleugel
plantte hij afrikaantjes in zijn tuin en bezorgde
de Oranjebode. Ook na spertijd zongen
zijn klompen het Wilhelmus.

Tot hij samen met tweeëntwintig kameraden werd opgepakt.
Ze liepen achter elkaar naar de fusilladeplaats in Kamp Vugt,
hij op klompen.

Hij leeft gelukkig voort in een klaverzuring die zijn naam draagt:
de Oxales Uittienii.


Handreiking

Kom, werp af de aarzeling, betreed de tuin,
er is op je gewacht. Geen plattegrond, geen

richtingbord. Loop eenvoudig geuren na, kijk
naar omlaag: bloemen, struiken, alles draagt

een naam. Zacht neuriet de gaura een wiegelied.
Wacht bij de vijver op het wonder: strijklicht

streelt de waterlelie wakker. Beklim de gladde
stammen in het bamboebos of druk je voorhoofd

tegen de zachte vacht van de sequoia. Rust uit
onder de Japanse tempelboom (in de herfstnacht

huilt hij gele tranen om een pater van weleer). Sla
een arm om hem heen en bedenk dat hij ook ons

zal overleven. Verdwaal ten slotte in de heemtuin.
Let niet op de veerman, laat hem maar roepen.


Het motortje van je geheugen

Het komt uit bestofte zolderdozen,
uitgestald als aan de haak geslagen vis.

Een beer met vaal gestreken vacht,
een koning uit een poppenkast.
Een bontgekleurde blouse van P&C, maat 128
die je droeg met vooruitgestoken borst.
Een zelfgebreide eend waar je met je hand
leven in kon blazen.
Een foto, jij goedlachs, met pony en halflang haar.

Dat heb je allemaal bewaard.
Het ligt er om het motortje van je geheugen
aan de praat te krijgen.


Vreedzame krijger

De laatste tijd heeft hij de stad gemeden. Op zijn schreden
teruggekeerd steekt hij met zijn lange leden Flujas &
Guntrud naar de kroon. Een verloren zoon krijgt
bij de rivier ruimhartig onderdak, vaste grond en droge

voeten. Als een waakhond houdt hij wat niet pluis is tegen.
Zelfs stijgend water toont ontzag. Met de Wachters
op de brug brengt deze vredesman ons stedelingen rust.
In de haven meren schepen af, aan de stadspoort kloppen

vreemden. Zij weten dat ze welkom zijn. De muren
zijn geslecht, deuren kunnen dicht en open. Waar de stad
schurkt aan het water, rijst de Krijger op. Wulps schudt hij

zijn weelderige kop met haar als hij omziet naar een meeuw
of ganzenpaar. Kijk hem glanzen als de veren van de Jocushaan.
Hij is voor ons als carnaval: een houvast in het bestaan.


Omhels, knuffel en pluk

Kijk vooral je ogen uit
in deze stadstuin van Oud-Zuid.
Adem in met volle teugen
de zuivere lucht rond
blad, bloem, vrucht.

Hier wortelt het jonge grut in gezegende grond.
Hier schoffelt samen met de buurt
tussen rode biet en boerenkool
de Wildveldschool.

En dan de oogst.
Omhels de volle peer, de snijboon, het kropje sla.
Knuffel kruisbes, spruit en prei.
Pluk de klaproos en de wilde cichorei.

Natuur verbindt. Misschien is dit de rijpste buit
in deze stadstuin van Oud-Zuid.


Een vader, een zoon

Over de dijk langs de rivier gleed zijn driewieltrapper
naar het nieuws van de dag. Trouw speller van kranten
aan de leestafel van de bieb. Daarna op koffiejacht,
een fijne neus voor de beste barista van de stad.

Hij droeg een luisteroor, getraind door de verhalen
van verslaafden en als hij sprak klonken zijn woorden
als gefilterd licht, zoals dat valt in een museumzaal.

Opeens was er de kogel en even plotseling als in
dit gedicht. Een lege stoel, een anonieme naam
op een oorlogsmonument, op glas geschreven.

De kruitdamp is nooit opgetrokken. Hij zette ramen
open, vocht voor vrede. Een leegte minder leeg
door Bach. Een zoon wordt ouder, een vader niet.



Fantastico

Waar historie aan kleeft, wat ons mee-
voert naar vroeger, kan niet in de kliko.

Wat je afbreekt verdwijnt te voorgoed.
Wat rest: brokken chocola tussen het puin.

Lef, de naam van het scheepje dat aan-
meert bij toen: broze gevel met artrose.

Twee broertjes varen op fantasie en vol-
harding. Met durf in hun ransel scheppen

ze uit bouwval ijs. Erfgoed gaat glanzen als
het werkzweet verdampt. De aarde draagt

oud als nieuw, brengt de geur van chocola
terug, houdt de schoorsteen overeind.


Onderstaand Nieuwjaarsgedicht voor 2021 is geschreven op verzoek van
het Letterkundig Centrum Limburg


Hangplek

Als je mij zo ziet, denk je niet
meteen aan een bruisend leven.

Het is nog vroeg, ik sta wat wankel
op mijn benen. Rust op zijn tijd,

daar knap ook ik van op. De hectiek
begint zo tegen tienen. Alleen bij regen

valt de klandizie tegen. Ruimhartig
draag ik wat bij anderen knarst en knaagt.

Kijk, daar is die meneer met dikke bril.
Als hij eenmaal zit, welt de blues op

uit zijn strot, zingt hij de tegels
uit hun voegen. En het looprekvrouwtje?

Ze hoeft me niet veel uit te leggen.
Dan heb je Jan die maar blijft zoeken

naar wat hij is verloren. En trek ik
mijn nachtkleed aan, verschijnt de laatste

gast. Van dolen wordt haar hoofd zo zwaar.
Zij weet, ik wacht. ‘Slaap jij maar zacht’.


Kijk dan, kijk dan

Ik heb een bloem gedroomd
omgeven door
het duister van de nacht

Ik heb een bloem gedroomd
een botergele bloem
aangeraakt door een dunne maan

Ik heb een bloem gedroomd
waar uit de kelk
parels sprongen

Ik heb een bloem gedroomd
de parels bleven komen
als vallende sterren
alles betoverend
in een lichte gloed

Ik heb een bloem gedroomd
met voor mij een boodschap:

kijk dan, kijk dan
oefen je oog
in het zien

in het zien
van schoonheid

Nawoord
Dagen later stond ik in het Noordbrabants Museum voor een driedimensionaal kunstwerk van Eelco Brand en zag exact wat eerder in een droom voorbij kwam.


Weerzien met Reillanne

Ik schuif het gordijn open. Daar ligt ze.
Ze slaapt nog. Voor haar ben ik gekomen.
Uitdagend om de heuvel gedrapeerd wijst
ze naar de eeuwenoude kerk op de top.

Om het huis hangt de geur van rozen.
De kersenboom draagt zwaar dit jaar.
Onder de waslijn, kaarsrecht en paars
aangelopen, orchideeën, zo talrijk en
zo goed gemutst. Schapenbellen over-
stemmen de roep van de bijeneter.

In de middenkamer speelt Chopin zonder
publiek, plukt het goud van de morgenstond.
Er is thee met poëzie als een petit-four.

Ik maak me op voor een wandeling
over de crête. De Luberon, op gepaste
afstand, ligt erbij alsof ze te zwaar heeft getafeld.

Bij Céreste sla ik rechtsaf. Daar is ze,
ze loopt me tegemoet, helpt me de heuvel op.
We strijken neer op een terras.
Een wolk schuift voor de zon.

Waar je vandaan komt vergeet je
als je je ergens thuis voelt.


Ubuntu

De trommelman
zonder stokken, blote hand
zijn vingers staan in brand

Kinderoren
horen hoe hij in de maat
losjes op zijn trommel slaat

Drumles van de meester
kies een kleur, kies een teken
laat je trommel spreken

Als één hechte groep
roffels hard, dan weer zacht
Fafa drumt, Yayra lacht

Samen, met elkaar
spelen we het slotakkoord
ubuntu is het toverwoord


Laat bezoek

Van berkenstammen is het kruis;
de viooltjes die je kweekte
bewegen op de lentewind. Je gaat
niet meer zo ver van huis.

Ik luister naar het kind
dat wegsmolt in je grote duim
als de toverlantaarn
de kamer vulde.

Ik lees uit je boeken
waarin je door de wereld dwaalde.

Ik zing bij de steen
waaraan ik me zo dikwijls stootte.

De zon legt mijn schaduw
als een zachte deken over je heen.


Tot twee cijfers achter de komma

Ik schrijf alvast wat woorden op om warm
te lopen. Alle ramen zet ik open, een zachte
wind dolt dunne klanken, blaast bel tot
woordballon. Zie je, het begint als kinderspel.

Vanuit de verte een sirene;
nu wordt het menens. Woorden kennen
ook gevoel. Als je ze pijn doet gaan ze
vloeien. Ik wil ze draagbaar maken.

En jij? Jij staat er bij te kijken,
maar weet je, ik heb het over jou.
Ik wil jou op je mooist dichten;

naakt in letters, komma’s, punten.
Weinig punten, dat klinkt zo voorgoed,
nee, ik dicht je vooral veel komma’s toe,