Herman Verweij (1945)

Kleurenfoto

Als je kijkt
door het oog
van een regenboog
valt er licht
op blinde vlekken
breekt inzicht
door de ruiten.

Als je kijkt
door het oog
van een regenboog
verliezen zwart en wit
hun ruimte
verdwijnen hokjes
uit het hoofd.

Als je kijkt
door het oog
van een regenboog
strooit een roze roos
haar geuren in ‘t rond
lopen wegen van
dansende vlaggen vol.

Als je kijkt
door het oog
van een regenboog
zie je mij
als een kleurenfoto

zeg ik oprecht:
ik ook van jou.


Harleklein je maar groot

School is als een steile trap
voorzichtig neem je weer een stap,
of als een superzacht konijn
je wilt graag bij hem zijn.

School is als een boterham
je groeit er van,
of als een Turkse kapper
je wordt er knapper.

School is als een zak met drop
je kunt er nooit te veel van op,
of als een slak met haast
elke dag opnieuw verbaasd.

School is als een slagroomtaart
voor elke groep wordt iets bewaard,
of als een vriendelijke harlekijn
´t maakt je vrolijk, kietelt je brein.

School is als een mooi verhaal
we lezen het graag allemaal,
of als een groot gezin, dus:
welkom Romayssae, welkom Finn.


Zoals zij daar woont

Zoals zij daar woont, roerloos, aaibaar
als een zilveren lint zich neerlegt

zoals zij traag en voorspelbaar
grenzen aftast, bochten inschat

zoals zij zich aanlengt, verwatert
de veerman een loer draait

zoals zij boven zichzelf uitstijgt
als een gulzige slokop vol loopt

zoals zij roept op klaarlichte dag
bollend vlees zielloos teruggeeft

zoals zij zich inslijpt, haar draai vindt
bij schemer verstilt

zoals zij daar woont, een haven
voor verdwaalden, zich geeft aan de zee.


No picture, Sir

Neergestreken bij de vijver langs het oude kerkhof
in Zuid. Geen lust in vogeltrek met elke dag
een grasmaaltijd.

Van niemand iets te vrezen, dons en lever
niet te koop. Ze zijn zoals ze zijn, gewoon
om naar te kijken.

Scharrelen rond onder een plataan of staan
roerloos op één poot, verscholen snavel
tussen veren.

Afgeschud de haast. Helder wit, door licht
geraakt hun kleed. Een schilder krijgt het niet
op zijn palet.

Ik tel er drie, ze klitten bij elkaar. Synchroon
waggelend door de dagen, de traagheid geeft hun
iets voornaams.

Aarzelend het drietal aangesproken.‘No picture
Sir!’. Een ganzenveer valt mij ten deel; hiermee
is dit portret geschreven.


klein hoefblad

Op het fietspad langs de Maas
zo aan de rand, waar het zand
is omgewoeld, grijpt het zijn kans.

Roept in het rond, dat de kou
uit de grond, dat woelmuis
en mol mogen ontdooien,
want de aarde warmt op.

Uit een scheur in het asfalt,
het steeltje nog teer
en zo naakt zonder blad,
zodat alle aandacht knalt
op zijn felgele kop,
afdruk van de zon.


De oude bokser

De oude bokser deelt een plaagstoot uit.
Achter hem het schilderij met de bebloede arm,

terwijl zijn woorden als hagelstenen roffelen
op de vloer van de museumzaal. Waar is het

toch begonnen? Bij de straat, bij het struikgewas
en wat zich daar zoal in en achter afspeelde?

Een kind nog dat keek met de scherpte
van een haviksoog, het hoofd een plakboek

vol foto's en gebeurtenissen. Terug in de ring
spant het er om. Is er storm op komst? En wat

moet er met die bomen? Zij waren getuige,
maar bleven hun plek in het landschap innemen.

En de vijand? Om zichzelf op te blazen,
begon hij te schreeuwen. Eenmaal thuis

bleek hij met twee woorden te spreken.
Wat zich vastzet, klontert, blijft rommelen

als een naderen onweer. De vrede getekend,
de inkt opgedroogd, gevloerd door de oorlog.


(Gezien in Museum Valkhof La casquette qui songe)

De mijmerende pet

Acht seconden aandacht schuifelt
langs een pet, uitgelobberd aan
een kapstokhaakje. Sleetse kleur
op beide wangen, ooit getroond
op opperhoofd. Wie hem droeg
werd gezien, zeker in Parijs waar
een meesterhand hem modelleerde.

Langer dan die acht seconden sta ik
stil. Wat zich niet zomaar prijsgeeft
vraagt meer tijd om te doorgronden.

Dichterbij ontfutsel ik het raadsel.
Deze pet beweegt heel licht als bij
bijna windstil weer een wateroppervlak.

Deze pet deint mee met de gedachten
in het hoofd van wie hem vroeger

droeg, mijmert onafgebroken
in zaal 3 van het museum.

Tot de suppoost na sluitingstijd
de stroom uitzet.


Ik wandel in je licht

Ik wandel in je licht
waar uitzicht nooit hetzelfde,
een glooiend landschap
mijn verbazing leest.

Er bestaat geen kaart
wel hier en daar een hint:
van een teken een begin,
de streling van een tak.

Het oogt als bloeiend
koolzaadveld, het kiezen van
een olifantenpad een spel,
altijd een verrassingstocht.

Als ik verdwaal,
door wind verwaai,
is er je geur, een tinteling,
mag ik je vinden.

Je roep vertrouwd als afgetrapte
kinderschoenen; jij draagt mij
op het pad waar zover ik kijk
ons nog geen splitsing wacht.

Een nieuwe dag betaalt zich uit
in wortelsoep en vergezicht.
Gastvrij, de deur staat aan,
ik wandel in je licht.


Vangst

Aangespoeld een vis
van hout, in doodsnood
slaat ze met haar staart.

Als laatste groet kust
de rivier haar droge mond.

Als drijfhout dienst gedaan,
een drenkeling houvast geboden.
Wie zal haar redder zijn?

Een wandelaar met juttersbloed
staat dagen later oog in oog.

In een tuin verscholen tussen
wier en zeegroen woont een vis,
soms zwemt ze op haar rug.


Een vindbare plek

Als je de stad verlaat of na een lange
treinreis net op tijd een afspraak haalt,
of als je elders hebt verbleven en de weg
naar huis aanvaardt, je kunt er niet omheen.

Ook de chauffeur niet van lijn zevenzeven
die zijn bus bekwaam de weg opdraait,
of het jonge stel, onderweg naar afscheidszoen
en uitzwaaihanden op een winderig perron.

Hier voor het station veel verse bloemen,
een foto en een lichtje, steun zoekend bij elkaar.
Erboven, als een waker, de torenklok. Traag

maken de wijzers hun ronde zonder te verzaken.
Als het kaarsvet is gestold, het tastbare verdwenen,
zal deze plek nog vindbaar zijn. Je kunt er niet omheen.