Herman Verweij (1945)

Geen stad

Geen stad zonder poort
zonder sleutel, zonder open
zonder luister, zonder bron
zonder horizon geen stad

Geen stad zonder bomen
zonder rust en vertier
zonder vandaag, zonder morgen
zonder zorgen geen stad

Geen stad zonder Maas
zonder mensen met haast
zonder fietsen, rollators
zonder inspirators geen stad

Geen stad zonder blijvers
zonder doeners & denkers
zonder kunst en historie
zonder victorie geen stad

Geen stad zonder gasten
zonder huis, zonder haard
zonder fanfare, terras
zonder kompas geen stad

Geen stad zonder buren
zonder actie, zonder lef
zonder voor, zonder tegen
zonder bewegen geen stad

Geen stad zonder binding
zonder lijn, zonder kleur
zonder oog voor traditie
zonder visie geen stad


Grand Jacques

Zo vlak het land bezongen, dat
alleen een torenspits het waagt
zich als berg te verheffen

zo raak een afscheid getroffen, zoals
van die twee daar tussen tweeduizend
hoe ze elkaar voorgoed verliezen

zo scherp je tong gewet, je lange
armen maaiend over het Vlaamse
land als een pas geslepen zeis

zo zacht van een vriend zijn naam
gefluisterd als een laatste groet, zachter
dan een bloem die zich bij schemer sluit

zo zonder uur gewaakt op een eiland
waar in elk seizoen bomen hun blad
verliezen voor vuren bij vollemaanslicht

zo trefzeker het woord gemunt voor
venijn en tederheid, om immer te blijven
als de schilderijen van oude meesters.


Vroege vogels

De tulpen groeien uit de vaas,
de vloeibare pindakaas zorgt
voor natte voeten. Ik smeer
een krekker met dat goedje.

Zie door de ruit een koolmees
mes en vorkje prikken
in een potje pindavogelkaas.

Gezellig, zo samen ontbijten.


(Gezien in Museum Valkhof La casquette qui songe)

De mijmerende pet

Acht seconden aandacht schuifelt
langs een pet, uitgelobberd aan
een kapstokhaakje. Sleetse kleur
op beide wangen, ooit getroond
op opperhoofd. Wie hem droeg
werd gezien, zeker in Parijs waar
een meesterhand hem modelleerde.

Langer dan die acht seconden sta ik
stil. Wat zich niet zomaar prijsgeeft
vraagt meer tijd om te doorgronden.

Dichterbij ontfutsel ik het raadsel.
Deze pet beweegt heel licht als bij
bijna windstil weer een wateroppervlak.

Deze pet deint mee met de gedachten
in het hoofd van wie hem vroeger

droeg, mijmert onafgebroken
in zaal 3 van het museum.

Tot de suppoost na sluitingstijd
de stroom uitzet.


Ik wandel in je licht

Ik wandel in je licht
waar uitzicht nooit hetzelfde,
een glooiend landschap
mijn verbazing leest.

Er bestaat geen kaart
wel hier en daar een hint:
van een teken een begin,
de streling van een tak.

Het oogt als bloeiend
koolzaadveld, het kiezen van
een olifantenpad een spel,
altijd een verrassingstocht.

Als ik verdwaal,
door wind verwaai,
is er je geur, een tinteling,
mag ik je vinden.

Je roep vertrouwd als afgetrapte
kinderschoenen; jij draagt mij
op het pad waar zover ik kijk
ons nog geen splitsing wacht.

Een nieuwe dag betaalt zich uit
in wortelsoep en vergezicht.
Gastvrij, de deur staat aan,
ik wandel in je licht.


Vangst

Aangespoeld een vis
van hout, in doodsnood
slaat ze met haar staart.

Als laatste groet kust
de rivier haar droge mond.

Als drijfhout dienst gedaan,
een drenkeling houvast geboden.
Wie zal haar redder zijn?

Een wandelaar met juttersbloed
staat dagen later oog in oog.

In een tuin verscholen tussen
wier en zeegroen woont een vis,
soms zwemt ze op haar rug.


Een vindbare plek

Als je de stad verlaat of na een lange
treinreis net op tijd een afspraak haalt,
of als je elders hebt verbleven en de weg
naar huis aanvaardt, je kunt er niet omheen.

Ook de chauffeur niet van lijn zevenzeven
die zijn bus bekwaam de weg opdraait,
of het jonge stel, onderweg naar afscheidszoen
en uitzwaaihanden op een winderig perron.

Hier voor het station veel verse bloemen,
een foto en een lichtje, steun zoekend bij elkaar.
Erboven, als een waker, de torenklok. Traag

maken de wijzers hun ronde zonder te verzaken.
Als het kaarsvet is gestold, het tastbare verdwenen,
zal deze plek nog vindbaar zijn. Je kunt er niet omheen.


(Schouwburg Maaspoort, Venlo)

Poort der verbeelding

Hier op het plein
tokkelt de lier van Orpheus
een liedje van verlangen

ritselt het blad van de moeraseik
een monoloog over
een verdronken geliefde.

Hier opent de Poort zich
zoekt een stoel een dame of
een heer, flitst het duister aan

danst een nieuwe wereld binnen
schampt een woord, rochelt
een mond, verstilt de tijd.

Hier in de schouwburgzaal
warmen handen zich
klappen het doek dicht.


Dag Mo

in het stille huis verhuist het speelgoed
weer naar zolder loopt de briotrein
de remise binnen prentenboeken
schuiven tussen soortgenoten
het stoeiwater over
de badrand bijna
verdampt

toch
ben je niet
geheel verdwenen
flarden van een kinderlied
dansen rond de schemerlamp
er ligt een plasje olie waar een auto
heeft getankt uit het raam van de kamer
waar je sliep floept het staartje van een droom


Beurtbalkje

Geparkeerd langs boodschapband,
als een taxi wachtend op een klant.
Tot een karretje of mand zich meldt.

Voor consument en caissière
schept hij een tijdelijke barrière
en scheidt wasverzachter,
reclamepils en maandverband
van kilovoordeel koteletten,
een netje uien, spruiten en
apart verpakte plakjes cervelaat.

Als het werk is gedaan,
begint het weer van vooraf aan:
wachtend op een nieuwe klant
in de gleuf langs boodschapband.